Liane Wilke 

Liane was een artist in residence op het Almeerderstrand in de zomer van 2018. Zij schreef haar herinneringen aan het Almeerderstrand: een collectie van verhalen en anekdoten over het verleden, het heden en de toekomst van het gebied. 

Een dagje Almeerderstrand

Het is 2028. “Halte Almeerderstrand” klinkt het uit de speakers van de IJmeerlijn. Ik stap uit de metro, die ik een kwartier daarvoor heb gepakt bij Amsterdam Centraal. Het is een warme zomerdag in juli en ik ruil de drukte van de stad graag in voor een dagje rust bij mijn ouders aan de Almeerse kust. Over de Muiderzandweg loop ik richting het strand waar zij op mij wachten bij strandtent Poortdok.

Aan mijn rechterhand ligt de woonwijk Duin. Door de hoge, volle naaldbomen zijn de zandgele huizen nauwelijks te zien. Een jong gezin loopt vanuit de wijk richting het strand. De vader draagt een opblaaskrokodil en het jongetje rent achter zijn vlieger aan.

Links van mij zie ik een roze gloed. Het licht is afkomstig van een vertical farm. Een hoge kas die aan de rand van het IJmeer staat. Zo’n beetje elke krop sla die de Almeerder in z’n koelkast heeft liggen, komt uit dit verticale glazen gebouw. In het IJmeer zelf drijft een groot vlot waar drie koeien op staan te grazen. Het is een experiment met een floating farm.
‘Alles is maakbaar’ lijkt nog steeds het adagium in Almere te zijn.

Ik loop verder en bots tegen een groepje Chinese toeristen op die foto’s maken van een gigantisch beeld. Eén van de bekende spinnen van kunstenaar Louise Bourgeois wordt tijdelijk geëxposeerd aan het strand. Het is onderdeel van een project dat Almere samen met de stad Bilbao heeft opgezet. De buitenkunst die bij het Guggenheim te vinden is, reist door naar het Almeerderstrand.

Ik speur het drukke strand af en zie dan mijn moeder zwaaien vanaf het terras. Ik schuif aan en bestel een cola. “Kijk, je kunt vanaf hier ons appartement zien”, zegt mijn moeder, terwijl ze wijst naar één
van de woontorens naast de jachthaven Marina Muiderzand. Mijn ouderlijk huis in Almere Haven hebben ze pas geleden verkocht. Het was teveel werk om de tuin te onderhouden en bovendien was het ook wel makkelijk om de zeilboot om de hoek te hebben.

“Wie had dat kunnen denken, dat jullie hier ooit nog zouden gaan wonen!” zeg ik. Ik denk terug aan mijn jeugd in Almere en aan hoe ik het Almeerderstrand in de afgelopen 40 jaar heb leren kennen.
“Ja”, lacht mijn moeder. “Kun je je nog herinneren dat je hier achter de konijntjes aanrende?”


Het is 1985. Ik word geboren aan de overkant, want daar is een ziekenhuis. Naarden staat er in mijn paspoort, maar ik ben een Almeerder. Ons huis staat aan het water in Almere Haven. Op de grachtjes, die door het oudste stadsdeel van Almere slingerden, bracht ik zomers en winters door. Met de kano voeren we naar ‘het onbewoonde eilandje’ om daar te kamperen. Op de schaatsen haalde ik vriendjes op om samen naar school te gaan. Zomeravonden brachten we door op één van de stranden van de stad, waar we fikkie stookten en stiekem bier dronken. We waterskieden, we zeilden, we fietsten, we wandelden. Ik groeide op in de natuur.

Almere werd ontwikkeld als overloopgemeente van Amsterdam. Het waren de jaren ‘70 en de hoofdstad was vies en vol. De tuinstad Almere zou daar tegengewicht aan bieden door the best of both worlds van stad en platteland te combineren: wel de voorzieningen van een stad, maar gecombineerd met de rust, de ruimte en het groen van het platteland. Een leefbare stad. Waar je, ongeacht je inkomen, goed moest kunnen wonen.

In de polder werd daarom een landschap aangelegd, waarin drie woonkernen werden ingetekend: Almere Haven, Almere Stad en Almere Buiten. Elk stadsdeel kreeg zijn eigen karakter. Zo was Almere Haven geïnspireerd op een oud Zuiderzeestadje en had daardoor een dorpskarakter. Door de grote oppervlakte van de stad en de tussenliggende groengebieden voelde de afstand tussen de stadsdelen immens.

Wij, dorpelingen uit Almere Haven, kwamen in die beginjaren minder vaak in Almere Stad, dan in ’t Gooi en in Amsterdam. Met het fietspontje gingen we naar Huizen om te winkelen. Daar hadden ze een HEMA. In Amsterdam moest je zijn voor de bioscoop.

Maar, voor de natuur bleef je in Almere. Mijn ouders, broer en ik maakten eindeloze wandeltochten door de uitgestrekte stad. Zonder iemand – behalve een verdwaald hert – tegen te komen. Langs de schapen in het Kromslootpark, de vogels bij de Lepelaarsplassen en over het strand. In een stad ontstaan uit en in de natuur viel genoeg te ontdekken.

Konijntjes

“Als je er één vangt mag je ‘m houden.” Hijgend ren ik terug naar mijn ouders. “Ze rennen te hard, het lukt niet.” Ik voel een trillip opkomen. Ik ben vijf. Er zit een pleister op mijn rechterknie. Bert, van Ernie, staat erop. Het is een stormachtige dag in september. Er is niemand behalve wij. Mijn ouders lachen ingehouden. Ze zitten niet te wachten op een konijn in huis. Ik wel, maar ik kan ze niet bijhouden. Of het strand is te groot.

De komende maanden vertelt zij je persoonlijk haar verhalen tijdens een van de aankomende verhalenavonden.

Lees hier haar artikel over Almere in Vrij Nederland.